Algemeen | 0 ... 9 | A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z |
aandachtstreepjes
aanhalingstekens
aanhef
aanspreekvormen (VRT)
aanspreking / aanschrijving
aardrijkskundige namen
accenten
actief / passief
adressering
afkortingen - overzicht
afkortingen
afkortingen en letterwoorden
alfabetisch ordenen
Arabisch
bankrekeningen
beladen woorden
beletselteken
bezits-s
bijzinnen
botsende klinkers
breukgetallen
briefconventies
bronvermelding
Chinees
commentaar bij beeld
cyrillisch schrift
d / dt
datums
diakritische tekens
doorgaan
drie puntjes
dubbelepunt
Duitse leenwoorden
eigennaam
Engelse werkwoorden
Engelse woorden
euro
gebeuren
gebiedende wijs
gedachtestreepje
gekloofde zin
genitief-s
gereduceerde vormen
getallen
hoofdletters
initiaalwoorden
klinkerbotsing
komma
kommapunt
koppelteken
letterwoorden
liggend streepje
lintwormstijl
maateenheden
meervouds-s
naamwoordstijl / werkwoordstijl
nadrukteken
namen
nationaliteit en ras
nauwkeurigheid
omhaal
ontkenningen
opbouw van een intro
opbouw van een nieuwsbericht
passieve zinnen
publieksgerichtheid
puntkomma
rangtelwoorden
Russisch
samenstellingen
scheidbare samengestelde werkwoorden
slotformule
spaties bij leestekens
spreektaal
spreken / schrijven
staccatostijl
stijltips
synoniemen
tangconstructies
tantebetjeconstructie
telefoonnummers
telwoorden
tijdstippen
titels
titulatuur
't kofschip
transcriptie
tussenklank -e(n)-
tussenklank -s-
tweetalige plaatsnamen
vaktermen
verkleinwoorden
verkortingen
voornaamwoordelijke bijwoorden
vreemde woorden
wiggen
windrichtingen
zinslengte
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

d / dt

Voor de vervoeging van werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd enkelvoud gelden deze regels:

  • ik stam: ik kom, ik loop, ik word, ik vind
  • stam ik: kom ik, loop ik, word ik, vind ik

  • jij stam+t: jij komt, jij loopt, jij wordt, jij vindt
  • stam jij: kom jij, loop jij, word jij, vind jij

  • u stam+t: u komt, u loopt, u wordt, u vindt
  • stam+t u: komt u, loopt u, wordt u, vindt u

  • hij stam+t: hij komt, hij loopt, hij wordt, hij vindt
  • stam+t hij: komt hij, loopt hij, wordt hij, vindt hij

Vervang bij twijfel de onbeklemtoonde vorm je door de beklemtoonde vorm jij of jou(w).

  • Vind je / jij dat ook?
  • De gids vind je / jij nooit meer terug. (= Jij vindt de gids nooit meer terug.)
  • De gids vindt je / jou nooit meer terug.
  • Word je / jij ook gehuldigd?
  • Vindt je / jouw broer dat ook?
  • Wordt je / jou ook een gratis exemplaar aangeboden?
  • Hij biedt je / jou geen drankje aan.