Als nadrukteken gebruiken we altijd een accent aigu.
de énige échte
Bij twee gelijke klinkertekens zetten we twee keer een nadrukteken.
dáár, wéék, róód, vúúr, ééuw, fráái, móói
Bij verschillende klinkertekens die samen één klank of tweeklank vormen, krijgen de eerste twee klinkers een nadrukteken.
déúr, níét, móét, kóúd, bláúw, vúíl, níéuw, bóéi
In de combinatie ij krijgen beide letters een nadrukteken, als dat technisch mogelijk is.
Boven een beginhoofdletter laten we het nadrukteken weg. Als het eerste teken van een tweeklank een hoofdletter is, zetten we het accent op het tweede teken.
Eén is genoeg. Oúdere mensen.
De schrijfwijze één gebruiken we alleen als het telwoord speciale nadruk krijgt of als er verwarring mogelijk is. De nadruktekens blijven achterwege in woordgroepen waar de ee-klank onvermijdelijk is.
niet één, maar drie
een en ander, in een van de laatste voorbeelden, het is tien over een, ik wil er ook een
Ook vóór krijgt alleen nadruktekens als er verwarring kan ontstaan.