Naar de toekomst verwijzen we gewoonlijk met het hulpwerkwoord zullen of met de tegenwoordige tijd.
Je zult nog een poos moeten wachten.
De rechtbank zal zich daar morgen over uitspreken.
De rechtbank spreekt zich daar morgen over uit.
Dat zullen we morgen wel zien.
Dat zien we morgen wel.
Gaan is correct in de betekenis:
1. zich verplaatsen:
We gaan hem opzoeken in Antwerpen.
2. beginnen:
Als je de sleutel omdraait, gaat de motor lopen.
3. van plan zijn:
Volgend jaar gaat hij meedoen aan de Tour.
Het bedrijf gaat een beroep doen op freelancers.
Gaan is niet correct als hulpwerkwoord in combinatie met: zijn, hebben, gaan, moeten, kunnen, durven. Vaak gebruiken we een tegenwoordige tijd in plaats van een toekomende tijd.
Niet: *Zaterdag ga ik niet thuis zijn.
Wel: Zaterdag ben ik niet thuis.
Niet: *Morgen gaat het mooi weer zijn.
Wel: Morgen wordt het mooi weer.
Niet: *Volgend jaar gaan we een nieuwe burgemeester hebben.
Wel: Volgend jaar krijgen we een nieuwe burgemeester.
Niet: *Daar gaan ze de handen vol aan hebben.
Wel: Daar zullen ze de handen vol aan hebben.
Niet: *Mijn boek gaat pas over een jaar af zijn.
Wel: Mijn boek is pas over een jaar af.
Niet: *Ze is verhinderd, dus ze gaat niet meegaan.