Je kan en je kunt zijn allebei correct, maar het gebruik verschilt: je kan is informeler dan je kunt. Voor een directe aanspreking heeft je kunt de voorkeur. Hetzelfde geldt voor u kan / u kunt.
Je kunt me de hele dag op kantoor bereiken.
U kunt me bellen als u me nog nodig hebt.
Als je in de zin van 'men' gebruikt wordt, kan je je kan gebruiken, zoals in deze zin.